Het proceskostenbeding: oneerlijk?

Ontdek waarom proceskostenbedingen in consumentenovereenkomsten vaak oneerlijk zijn volgens recente uitspraken van de Hoge Raad en wat dit betekent voor huurrecht.

Deel dit artikel

Het proceskostenbeding: oneerlijk?  

Ambtshalve toetsing van bedingen in consumentenovereenkomsten krijgt de afgelopen jaren steeds meer aandacht en dat is niet zonder reden. Twee uitspraken van de Hoge Raad op prejudiciële vragen uit 2025 zijn relevant. De kern van deze uitspraken: een proceskostenbeding dat de consument verplicht “alle gerechtelijke kosten” van de verhuurder te dragen is in beginsel oneerlijk. Dit heeft ook zijn weerslag op huurovereenkomsten. Een dergelijk proceskostenbeding komt nog wel eens voor in (model-)huurovereenkomsten, zoals in oudere modellen van de ROZ. Inmiddels zien wij in lagere rechtspraak een duidelijke doorwerking van deze uitspraken.

 

Wanneer geldt de toets op oneerlijke bedingen?

De toets op oneerlijke bedingen komt uit Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen) en is van toepassing op overeenkomsten tussen een professionele partij en een consument. Dat is met name relevant bij verhuur van woonruimte. Ook in sommige situaties met betrekking tot kleine bedrijfsruimte of “gemengde” huur kan een natuurlijke persoon als consument worden aangemerkt en worden beschermd. In die gevallen moet de rechter ambtshalve toetsen of in de overeenkomst afspraken, zoals een proceskostenbeding, zijn opgenomen die oneerlijk zijn en niet van toepassing zijn. Die toetsing moet een rechter óók doen als de huurder niet verschijnt of zelfs de vordering erkent. Het is dus een vergaande bescherming voor de consument.

ECLI:NL:HR:2025:820: proceskostenbeding “in het algemeen” oneerlijk

In deze prejudiciële beslissing gaat het om een huurovereenkomst voor een parkeerplaats, met een beding dat als de huurder zich niet aan de afspraken uit de huurovereenkomst houdt, moet betalen voor alle kosten die de verhuurder daardoor moet maken, waaronder alle gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten van de verhuurder. De Hoge Raad oordeelt dat zo’n beding in een consumentenrelatie in het algemeen oneerlijk is.

Waarom? Zonder zo’n beding geldt in Nederland meestal de wettelijke proceskostenregeling (art. 237 Rv) met het liquidatietarief: een forfaitaire, begrensde vergoeding. Het proceskostenbeding haalt die begrenzing weg en verstoort daarmee het contractuele evenwicht tussen de partijen ten nadele van de consument. Het argument dat de rechter bedongen proceskosten kan matigen (art. 242 Rv) helpt niet. Bij oneerlijke bedingen geldt juist dat de rechter het beding buiten toepassing moet laten en het niet mag “repareren” door bijvoorbeeld matiging.

ECLI:NL:HR:2025:1081: de vervolgvraag ligt nu bij het Hof van Justitie van de Europese Unie

In deze prejudiciële beslissing herhaalt de Hoge Raad de hoofdregel dat een proceskostenbeding over het algemeen moet worden aangemerkt als een oneerlijk beding. Als sprake is van een oneerlijk beding  moet de consument worden teruggebracht in de positie alsof het beding er nooit is geweest. Met andere woorden: de consument hoeft de kosten die op basis van zo’n oneerlijk beding in rekening zijn gebracht, niet te betalen. En als er al kosten zijn betaald, dan kunnen die worden teruggevorderd.  Het is vooralsnog onduidelijk of na schrapping van een proceskostenbeding een consument nog op grond van de wet veroordeeld kan worden in de proceskosten. Een sanctie op het gebruik van oneerlijke bedingen is namelijk dat de ‘overtreder’ niet mag terugvallen op de regels in de wet. Daarom heeft de Hoge Raad een cruciale vervolgvraag aan het Hof van Justitie van de EU gesteld: Mag een consument, nadat het oneerlijke proceskostenbeding is geschrapt, toch nog in proceskosten worden veroordeeld op basis van art. 237 Rv?

Doorwerking in lagere rechtspraak

De lijn van de Hoge Raad is op zichzelf genomen helder: een proceskostenbeding dat de consument verplicht alle gerechtelijke kosten te dragen, is in beginsel oneerlijk. De grootste onzekerheid zit nu in de vervolgvraag wat er gebeurt ná schrapping van het beding. Totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie antwoord geeft, blijft er onzekerheid over het proceskostenrisico in consumentenprocedures.

In de lagere rechtspraak wordt de doorwerking van de prejudiciële beslissingen  van de Hoge Raad al zichtbaar. Er zijn rechters die de zaak aanhouden totdat het Hof van Justitie zich heeft uitgelaten over de gestelde vervolgvraag, maar er zijn ook uitspraken bekend waarin consumenten in zijn geheel niet veroordeeld worden in de proceskosten.

Twee voorbeelden:

  • De rechtbank Amsterdam wees buitengerechtelijke kosten én proceskosten af na de vernietiging van oneerlijke kostenbedingen (ECLI:NL:RBAMS:2025:6062); en
  • In ECLI:NL:RBAMS:2025:6683 is de rechtbank Amsterdam voornemens het proceskostenbeding ambtshalve te vernietigen vanwege het oneerlijke karakter met als beoogd gevolg dat de gevorderde proceskosten zullen worden afgewezen. De eisende partij krijgt eerst nog gelegenheid zich hierover uit te laten.

De prejudiciële beslissingen uit 2025 van de Hoge Raad staan niet op zichzelf: in huurovereenkomsten met een consument kunnen ook andere bedingen ambtshalve als oneerlijk worden aangemerkt, met als gevolg dat deze bedingen vernietigd worden. Bijvoorbeeld een huurprijswijzigingsbeding. Veel verhuurders en vastgoedbeheerders werken met model-huurovereenkomsten. Dat is begrijpelijk. Het is belangrijk om model-huurovereenkomsten kritisch te (laten) beoordelen op  oneerlijke (proceskosten)bedingen.

Hoe verder?

Wil je laten beoordelen of een overeenkomst oneerlijke bedingen bevat of wil je een huurovereenkomst laten opstellen die de ambtshalve toetsing door de rechter kan doorstaan? Neem dan contact op. We helpen je graag.