

Leidse Schouw 2
2408 AE Alphen aan den Rijn
T: +31 (0)172 44 24 17
F: +31 (0)172 44 20 28
E: info@willedonker.nl
Tegen overheidsbesluiten kan doorgaans bezwaar worden gemaakt of beroep worden ingesteld. Denk aan een verleende bouwvergunning of een geweigerde uitkering. De bezwaar- of beroepstermijn bedraagt zes weken. Als niet binnen die termijn een rechtsmiddel is ingesteld, vervalt de mogelijkheid om dat later alsnog te doen en wordt ervan uitgegaan dat het overheidsbesluit zowel inhoudelijk als procedureel juist is.
De wet bepaalt dat wanneer bezwaar of beroep tegen een overheidsbesluit kan worden ingesteld, daarop in dat besluit moet worden gewezen. Wie een (omgevings)vergunning krijgt voor een dakkapel, vindt onderaan de brief waarbij de vergunning is verleend de tekst dat binnen zes weken bezwaar tegen de vergunning kan worden gemaakt. Deze mededeling heet een 'rechtsmiddelverwijzing': de geadresseerde van de brief wordt erop gewezen dat door hem (of derden) een 'rechtsmiddel' tegen de verleende vergunning kan worden ingesteld.
Soms wordt het vermelden van de rechtsmiddelverwijzing vergeten. Het kan dan gebeuren dat iemand er pas na het verstrijken van de bezwaar- of beroepstermijn van zes weken achter komt dat hij een rechtsmiddel had kunnen instellen. In uitkeringszaken oordeelde de Centrale Raad van Beroep in het verleden al dat wanneer iemand in zo'n geval te laat is met het maken van bezwaar of het instellen van beroep, dat verder geen gevolgen had en de zaak werd dan gewoon inhoudelijk behandeld.
Bij de Raad van State was dat anders. Deze bestuursrechter oordeelt over geschillen waarbij doorgaans belangen van derden betrokken zijn. Stel dat een omgevingsvergunning wordt verleend voor de bouw van een huis. Omwonenden maken bezwaar, maar het bezwaar wordt afgewezen. Op grond van de wet kunnen de omwonenden dan in beroep gaan bij de rechtbank. Wat nu als in de beslissing op het bezwaar wordt verzuimd op die mogelijkheid te wijzen, en de omwonenden daarmee pas na het verstrijken van de beroepstermijn bekend raken? Voorheen oordeelde de Raad van State in zo'n geval: pech voor de omwonenden. Dat lijkt oneerlijk, maar bedacht moet worden dat ook de belangen van de vergunninghouder een rol spelen. Die moet er op een gegeven moment van kunnen uitgaan dat tegen zijn vergunning geen rechtsmiddelen meer kunnen worden ingesteld.
Onlangs is de Raad van State echter 'om' gegaan. In navolging van andere bestuursrechters is ook de Raad van State tegenwoordig van mening dat als een rechtsmiddelverwijzing ten onrechte achterwege is gebleven, en de belanghebbende er pas na het verstrijken van de bezwaar- of beroepstermijn achter komt dat hij een rechtsmiddel had kunnen instellen, het toch mogelijk is om dan alsnog bezwaar te maken of beroep in te stellen. De belanghebbende kan zich dan beroepen op 'verschoonbare termijnoverschrijding' (niet verwijtbare termijnoverschrijding). Het rechtsmiddel moet in zo'n geval echter wel zo spoedig mogelijk na ontdekking van de bezwaar- of beroepsmogelijkheid worden ingesteld. De Raad van State hanteert hierbij een vaste termijn van twee weken. Dat betekent dat niet kan worden uitgegaan van de 'normale' bezwaar- of beroepstermijn van zes weken.
De Raad van State maakt nog wel een belangrijke kanttekening: als de belanghebbende veel proceservaring heeft, of wordt bijgestaan door een advocaat of andere rechtshulpverlener, dan blijft de 'oude' lijn gewoon van toepassing en zal het achterwege laten van een rechtsmiddelverwijzing in de regel niet kunnen leiden tot verschoonbare termijnoverschrijding. De gedachte is dat juridische professionals en mensen die procedeerervaring hebben, ook zonder rechtsmiddelverwijzing wel weten dat en hoe tegen overheidsbesluiten een rechtsmiddel kan worden ingesteld.
Deze bijdrage is geschreven door mr. Rudolf van Binsbergen, contactpersoon van de praktijkgroepen Overheid en Vastgoed.
Bron: Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 21 september 2011, LJN: BT2131.