

Leidse Schouw 2
2408 AE Alphen aan den Rijn
T: +31 (0)172 44 24 17
F: +31 (0)172 44 20 28
E: info@willedonker.nl
Op 31 maart 2010 is de Crisis- en herstelwet (Chw) in werking getreden. Wij berichtten u hier eerder over.
Één van de speerpunten van de Chw is de beperking van de mogelijkheden om beroep in te stellen tegen overheidsbesluiten die nodig zijn om grotere bouwprojecten (woonwijken, wegverbreding) te kunnen realiseren. Dat gebeurt bijvoorbeeld door het invoeren van het zogenoemde ‘relativiteitsvereiste’. Dat houdt in dat wanneer beroep is ingesteld tegen een overheidsbesluit waarop de Chw van toepassing is, de rechter dat besluit niet mag vernietigen op de grond dat het in strijd is met een rechtsregel die ‘kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept’. Anders gezegd: je kunt in beroep gaan en misschien nog gelijk hebben ook, maar dat helpt je niet als je argument niets te maken heeft met je eigen belangen.
Op 19 januari 2011 heeft de hoogste bestuursrechter (de Raad van State) het relativiteitsvereiste voor het eerst toegepast. Het ging in die zaak om het volgende. De gemeente Brummen had een bestemmingsplan vastgesteld dat voorzag in de bouw van een woonwijk met ongeveer 740 woningen. Een aantal omwonenden van het plangebied was het daarmee niet eens. Zij zagen hun vrije uitzicht in gevaar komen en zij stelden beroep in bij de Afdeling. Eén van de beroepsgronden van de omwonenden was dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen rekening was gehouden met milieuhygiënische normen (de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering') die voorschrijven welke afstand in acht moet worden genomen tussen bedrijven en woningen. Het doel van die normen is om in woongebieden een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen.
De Raad van State gaat in de uitspraak van 19 januari 2011 na of het belang van de omwonenden wordt geraakt door het feit dat niet aan de normen van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' wordt voldaan. Volgens de Raad van State is dat niet het geval. Het gaat de omwonenden namelijk om het behoud van hun uitzicht. Dat de toekomstige bewoners van de nieuwe woonwijk geen overlast zullen ondervinden van nabijgelegen bedrijven is wel belangrijk, maar dit is geen belang van de omwonenden. De bewoners hebben een punt, maar het is niet hún punt. Volgens de Raad van State is, wat dit argument betreft, niet aan het relativiteitsvereiste voldaan. Omdat de andere beroepsgronden niet slaagden, werd het beroep van de omwonenden ongegrond verklaard. En daarmee was de procedure over: tegen uitspraken van de Raad van State is geen hoger beroep mogelijk. Zuur voor de omwonenden, maar prettig voor de projectontwikkelaar en de gemeente. En voor de wetgever, want uit deze zaak blijkt dat de Chw 'werkt' en dat een bouwproject dat anders bij de rechter zou zijn gesneuveld, nu toch doorgang kan vinden.
Voor meer informatie over de Chw kunt u contact opnemen met mr. Rudolf van Binsbergen, contactpersoon van de praktijkgroepen Vastgoed en Overheden.
Bron: Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 19 januari 2011, LJN: BP1352.